Cultuurschok (B1905)

Terug in de Northern Territories

We zijn begonnen aan ons laatste stukje Australië. Kakadu National Park is de laatste grote bezienswaardigheid, verder is het regelen van de overtocht naar Timor-Leste van Dappere Dodo, onderhoud aan Dappere Dodo en wachten. We zijn de laatste weken sneller gegaan dan daarvoor: de regentijd breekt aan en we willen in elk geval in Kakadu geweest zijn voordat wegen onbegaanbaar worden of de cyclonen komen. Bovendien kunnen we door de temperatuur (iedere dag 42 graden) maar een paar uur per dag echt actief zijn, dat bevalt ook niet echt.

We wandelen in de koelte om zes uur ‘s ochtends in the Hidden Valley bij Kununurra, een prachtige omgeving in het lage zonlicht. Op de camping zien we een Tawny Frogmouth, een vogel die zoveel op een tak lijkt dat is nauwelijks mogelijk is hem te onderscheiden wanneer hij in een boom zit. We overnachten aan Lake Argyle en rijden daarna naar Katherine. De enige geplande bezienswaardigheid, de oude doorgang door de Victoriarivier staat droog. De Katherine-kloof is mooi, maar niet zo mooi als de kloven die we in West-Australië gezien hebben. Onderweg naar Litchfield National Park komen we door gebied met steeds meer bomen en ook de zogenaamde cathedral termietenheuvels. Zien er uit als op elkaar gestapelde bollen die wel vijf meter hoog en vijftig jaar oud kunnen worden. in het park zien we ook magnetische termietenheuvels die allemaal perfect noord zuid staan. We kamperen bij een waterhole die gevuld wordt door een grote waterval waar het fantastisch zwemmen is en wandelen door het moesonbos.

We hebben geprobeerd een afspraak te maken voor de  300.000-km-beurt van Dappere Dodo in bij Toyota in Darwin, maar voor de eerste keer sinds we op reis zijn lopen we tegen een Toyota-dealer aan die onderhoud aan buitenlandse auto’s weigert. Via de LandCruiser Club Darwin vinden we een prima in LandCruisers gespecialiseerde garage. De waterpomp en bussen worden vervangen en er worden nog een paar andere dingen gevonden die moeten worden opgelost. Hij moet in topconditie zijn voor we hem naar Azië verschepen.  Het betekent wel dat het ongeveer anderhalve dag duurt voor het klaar is en het een vermogensdelict wordt. We zitten een groot deel van de eerste dag in de lokale bibliotheek met airconditioning en internet. De tweede dag kunnen we een auto lenen van de garage waarmee we gaan we naar Darwin gaan om afspraken over verschepen naar Timor-Leste te maken.

Kakadu National Park en Arnhem Land

We rijden over de Arnhem Highway (bij ons zou dat de A50 heten) richting Kakadu National Park en Arnhem Land. Arnhem Land ten oosten van Kakadu is het grote, meest oorspronkelijk Aboriginal-gebied van Australië. Je moet een permit hebben om erin te mogen,  We beperken ons tot Oenpella, net over de grens omdat daarvoor een permit direct wordt afgegeven, terwijl het voor andere gebieden tien dagen duurt en soms geweigerd wordt. De grensrivier zou vol met krokodillen zitten en we zijn gewaarschuwd om alleen bij laag water over te steken, maar het stelt allemaal niet zoveel voor: we zien geen enkele krokodil en de doorwading is niet dieper dan een plasje na een regenbui. Het is een mooie route, maar we mogen onderweg niet stoppen. In de plaats zelf mogen we alleen naar het Art Centre en de directe omgeving. De getoonde kunst is erg duur en niet heel bijzonder, maar het is wel leuk om de vrouwen buiten aan het werk te zien, hoewel de dingen die ze maken erg simpel zijn.

Kakadu National Park is het grootste park van Australië en een Aboriginal-gebied waar al 65.000 jaar mensen wonen. In Ubirr en Nourakgie zijn de mooiste rotsschilderingen die we in Australië gezien hebben. Bij gebrek aan goedgevulde winkels en lekkere restaurantjes vieren we de verjaardag van Margriet op een sobere manier. ‘s middags maken we de Yellow River Cruise die door een Aboriginal-gids geleid wordt. Nu zien we volop krokodillen en ook allerlei nieuwe vogels in het mooie landschap. Tijdens de boottocht hebben we voor het eerst sinds lange tijd wat serieuze regen. In het cultureel Aboriginal center bij Cooinda is een mooie tentoonstelling met veel over de geschiedenis en het gebruik van de natuur van de Aboriginals waar Margriet nog een aboriginal-armbandje maakt.

Darwin

We beginnen in Darwin met de voorbereidingen voor de overgang naar Oost-Timor. Het verschepen van Darwin naar Dili is berucht: niet alleen vertrektijden verschuiven, maar in de vaste driehoek Darwin-Dili-Singapore wordt Dili soms overgeslagen en wordt soms opeens eerst Singapore en daarna pas Dili aangedaan. Ook kan de boot dagen moeten wachten in Dili, omdat maar één schip tegelijkertijd in de haven kan aanleggen.

We leggen de verschepingsdatum vast, maken een afspraak voor het laden van de container, laten het carnet afstempelen, boeken een vlucht en reserveren accommodatie in Dili en Darwin. Daarnaast regelen we kleinere zaken als het wassen van de auto, het wassen van alle kleding en het aanvullen van de voorraden.

De dag erna krijgen we een bericht dat de boot drie tot vier dagen later zal vertrekken. Grrr. Omdat we de accommodatie en de vlucht al helemaal geregeld hebben verschuiven we de datum dat we de auto brengen niet. Na een allerlaatste tripje naar een vogelgebied waar niet veel te zien aan het einde van de droge tijd
leveren we Dappere Dodo af bij de verschepingsagent. We kunnen hem zelf in de container rijden en de container afsluiten. Er arriveren nog veel andere auto’s die in containers naar Dili moeten. Daarom hebben we redelijk vertrouwen dat de verscheping min of meer volgens de beloofde tijd en route zal verlopen. Daarna gaan we naar een Airbnb. Het is een prima plek dicht bij het centrum. Darwin blijkt mooie street art te hebben, maar verder is er weinig te beleven. We gaan wel naar de laatste Mindil Market van het jaar, een markt met vooral etenskraampjes. We scoren een Indonesisch diner en een toetje van gemengd fruit dat we opeten op het strand bij de zonsondergang. Het kan minder.

Na bijna 9 maanden zit Australië erop.

Aboriginals

Gedurende de hele reis door Australië hebben we geprobeerd ons een beeld te vormen van Aboriginals in de hedendaagse Australische samenleving. We zijn naar culturele centra geweest, hebben Aboriginals en Australiërs die werken met Aboriginals gesproken, maar ook de uitwassen gezien van in de steden rondzwervende alcoholisten met als belangrijke vraag: hoe zien Aboriginals zichzelf in de toekomstige Australische maatschappij.

De Aboriginal-cultuur is de langstdurende continue cultuur op aarde die wel 65.000 jaar terug gaat. Na de kolonisatie werd Aboriginal-land in beslag genomen en is door de Engelsen geprobeerd de Aboriginals te laten assimileren in de westerse maatschappij. Kinderen werden weggehaald bij de ouders en in westerse gezinnen opgevoed.

Iedere stam heeft zijn eigen “dreamtime stories”. Aboriginals geloven dat in de scheppingstijd geesten in allerlei vormen door het land trokken en de bergen, rivieren en het verdere land vorm gaven. De geesten konden allerlei vormen aannemen, bijvoorbeeld van rupsen of slangen. Sommige geesten trekken ook nu nog rond. De scheppingsverhalen worden van generatie op generatie doorgegeven. Bepaalde verhalen mogen alleen de mannen horen en bijbehorende rotstekeningen mogen vrouwen en kinderen niet zien; zulke tekeningen mogen dan ook niet gefotografeerd worden. Volgens het dreamtime-verhaal was de geest die het gebied bij het hedendaagse Cairns schiep een slang die in Serpentine Kloof woont. De Aboriginals vermeden de kloof, maar als ze heel dringend water nodig hadden gingen ze erheen. Ze lieten hun wapens achter en zongen bepaalde liederen om de geest tevreden te stellen, zodat ze veilig konden drinken. Hoewel Aboriginals vaak Christenen zijn hangen ze in veel gevallen ook nog hun traditionele geloof aan. Aboriginals geloven dat hun voorouders de wereld geschapen hebben. De aarde was plat en leeg. Toen zijn ze uit de grond gekomen en hebben de bergen , rivieren, dieren, etc. gemaakt. Daarna zijn ze weer te ruste gegaan. De moeder bepaalt van welke voorouder haar kind afstamt (bevallingen zijn een zaak van de moeders, vaders mogen niet aanwezig zijn). Dat kind wordt dan een bewaarder van hetgeen deze voorouder geschapen heeft. De bewaarder van bijvoorbeeld de mangoboom voert rituelen uit die goed zijn voor de mango-oogst. Dat gebeurt nog steeds. Ingewikkelde regels wie met wie mag trouwen voorkomen inteelt.

In Hermannsburg spraken we met de (blanke) man bij de receptie van het museum van de missie over de situatie nu. Van de 120 arbeidsplaatsen in Hermannsburg worden er 60 door Aboriginals bezet, ongeveer 200 Aboriginals met een arbeidzame leeftijd krijgen een uitkering. De schoolsituatie is een serieus probleem: van de 200 leerplichtige kinderen gaan er gemiddeld 120 naar school, sommigen altijd, sommigen meestal en sommigen zelden. Deze kinderen worden niet door ouders gestimuleerd en worden met dwang naar school gebracht. Dit leidt tot conflicten tussen de kinderen die wel en de kinderen die niet willen leren. Het basisverschil in denken tussen westerlingen en Aboriginals is dat de laatsten bij de dag leven en niet nadenken over wat morgen nodig is, iets wat we bij vergelijkbare culturen in Afrika ook gezien hebben. Dat is te begrijpen vanuit hun historie: het heeft geen zin om een kangoeroe voor morgen te vangen, die is dan toch niet goed meer. Geld wordt meteen opgemaakt, vaak aan tabak en junk food, terwijl het traditionele dieet heel gezond was. Diabetes is een serieus probleem. De arbeidsmoraal is anders is dan we gewend zijn. In de lokale supermarkt kunnen Aboriginal-medewerkers rustig een paar dagen wegblijven, omdat ze vinden dat ze andere prioriteiten hebben. Er zijn acht Aboriginals in dienst met een budget voor vijf. In het verleden zijn van de Aboriginals traditionele rechten afgenomen. Hiervan is veel hersteld, onder andere eigendom van de grond, maar door deze historie is het lastig om een balans tussen rechten en plichten voor de Aboriginals te vinden, een situatie die nauwelijks verandert. Wat de situatie ook niet eenvoudiger maakt is dat een Aboriginal geen gezag aanvaardt van een Aboriginal van een andere clan (familie). Ook om deze reden zijn managementfuncties bijna altijd in handen van westerlingen. Aboriginals voorzien in hun levensonderhoud in de grote Aboriginal-gebieden in de Outback door werk op cattle stations en in de mijnbouw. Er zijn ook mensen in deze gebieden die nog nooit een blanke gezien hebben.

In de steden in het noorden hangen op straat veel Aboriginals zonder duidelijk doel rond. Het zijn grofgebouwde mensen met veel onregelmatige, soms bijna wat verminkte gezichten die er vaak onverzorgd uitzien. Er zijn allerlei maatregelen tegen alcoholisme: bij de deur van de lokale slijterij staat een politieagent geposteerd die het identiteitsbewijs van iedere bezoeker wil zien. Bij het afrekenen moet het identiteitsbewijs nog een keer getoond worden. De hoeveelheid per persoon is beperkt en bij de kassa hangt een lijstje plaatsnamen. Mensen uit deze plaatsen mogen niets kopen. Bijvoorbeeld Tennant Creek heeft een grote Aboriginal-bevolking. Zoals overal in Australië is alcohol alleen in “bottle shops” te koop. De verkoop is van 16:00 tot 19:00 en de winkelbaas staat met een stopwatch klaar wanneer de verkoop mag starten. Verkopen gebeurt via een loket waar je één ding mag kopen, dus óf bier óf wijn, nadat een kopie van je identiteitsbewijs gemaakt is. Klokslag vier uur staat ar al een rijtje vooral Aboriginal mannen te zwaaien met een identiteitsbewijs en geld.

Wat steeds terugkomt is dat cultuur een plaats krijgt en behouden blijft en dat het nationale trauma veroorzaakt door de pogingen van de kolonisten om de Aboriginal-cultuur helemaal uit te roeien verwerkt wordt. We horen steeds over de blijvende relatie met de natuur: “zelfs als je de grootste misdadiger de natuur in stuurt is hij ogenblikkelijk weer verbonden. We ontmoeten Aboriginals die succesvol zijn in “westerse” banen of een eigen bedrijfje hebben in de toeristenindustrie, maar ook mensen die met een uitkering een marginaal bestaan leiden. Het is zoeken naar een balans: liever het westerse comfort met smartphones en airconditioning dan het traditionele leven, maar daardoor ook veel meer diabetes die weer verdwijnt als mensen naar de traditionele omgeving terugkeren. Door de historisch andere manier van leren zijn Aboriginal-kinderen ook vaak minder succesvol op school.

Timor-Leste achtergrond

Timor-Leste is het oostelijke deel van het eiland Timor, het westelijke deel is Indonesisch. Tot 1975 was Timor-Leste een verwaarloosde Portugese kolonie. Toen Portugal zich na de anjerrevolutie zich snel uit al zijn koloniën terugtrok werd het door Indonesië bezet. De Verenigde Staten en Australië ondersteunden de bezetting waarvoor weinig internationale aandacht was tot de massamoord in 1999 tijdens een vreedzame demonstratie op en kerkhof in Dili die alle internationale media haalde. Uiteindelijk werd een referendum gehouden waarbij 80% van de bevolking voor onafhankelijkheid koos en niet voor aansluiting bij Indonesië. In de periode van de bezetting kwamen 200.000 mensen om, bijna een kwart van de bevolking. Het verklaart waarom Timor-Leste zo’n jonge bevolking heeft.

De voornaamste inkomstenbron is olie, daarnaast wordt in de bergen koffie verbouwd. De olie heeft geresulteerd in een overheidsapparaat dat in tien jaar tijd vertwintigvoudigde. Voor zover wij zien is de overheid de enige grotere werkgever. Op het platteland heerst nog veel armoede: een dag werken op een koffieplantage levert nog geen vier dollar op.

Dili

De vlucht naar Dili verloopt probleemloos, maar het verschil met Australië is enorm. Het is opvallend hoe vriendelijk en behulpzaam de mensen zijn, wat dat betreft concurreert het land met Iran.De taxi heeft op voorruit een brede strook tegen de zon en verder nog vier spiegels en wat knuffels, zodat er nauwelijks ruimte is om door de voorruit te kijken; hij valt bijna ellende uit elkaar. We gaan weer naar een Airbnb, een ruime, schone plek, maar de bij elkaar geraapte meubelen moeten toch even wennen na de luxe van Australië. Dili is niet zo groot, dus het meeste is te lopen. Als we verder willen gaan we met een Microlet, een klein Japans busje dat volgens en vaste route rijdt.  Alles gaat in Amerikaanse dollars en de prijzen in de supermarkt zijn best hoog, zelfs in vergelijking met Nederland.

We gaan als eerste achter het visum voor Indonesië aan. Bij de ambassade krijgen te we horen dat alleen visa verstrekt worden als we een sponsor hebben, maar er is een oplossing: we krijgen van de ambassade een kaartje mee van een reisbureau dat sponsorbrieven uitgeeft voor $50 per persoon. We waren zelf al op zoek geweest naar een sponsor omdat we wisten dat visa in Dili lastig waren en als we bij ons appartement terugkomen vinden we een e-mail van een vriend uit Eindhoven die ook een sponsor geregeld heeft. Bij de Indonesische ambassade krijgen we nu te horen dat we ‘s middags terug moeten komen om een aanvraagformulier te krijgen en dan dat we de volgende ochtend moeten terugkomen om het in te leveren. Het lijkt er nu wel op dat de documenten in orde zijn. Een speciale eis voor het visum is dat pasfoto’s een rode achtergrond moeten hebben. Iedere copyshop heeft dus wel ergens een rode doek hangen. Een foto wordt met een telefoon gemaakt, met een fotobewerkingsprogramma wordt de achtergrond mooi egaal gemaakt de foto’s worden naast elkaar gezet afgedrukt en geknipt en klaar is Kees. Eindelijk wordt onze visumaanvraag geaccepteerd.

Tussendoor gaan we naar de verschepingsagent. De aankomst van de auto ziet er nog steeds goed uit. Er zijn geen wachtrijen in de haven en de boot lijkt op tijd uit Darwin te vertrekken. Daarna laten we alvast het carnet stempelen. We krijgen nog geen tijdelijk invoerbewijs om de definitieve documenten van de verscheping er nog niet zijn. Voor het stempelen van het carnet komen we in allerlei kantoortjes vol met mannetjes die allemaal niks doen. We belanden in een bouwvallig en vies gebouw waar in een paar kamertjes in een hoekje nog wat mensen zitten. De gordijnen zijn dicht en de verlichting is uit. Als we een formulier moeten invullen worden we met een telefoon bijgelicht. We gaan weer achter papieren aan om de auto vrij te krijgen. Het is een hoop kastje naar de muur: van de douane in de stad naar de agent naar de douane in de haven naar de agent naar de douane in de haven naar de douane in de stad. We krijgen alle benodigde papieren, maar het wordt na het weekend eer we de auto krijgen omdat de douane in het weekend niet werkt. We proberen daar nog onderuit te komen, maar dat lijkt niet te lukken: de commandant bij de douane die we moeten hebben is om kwart over vier met weekendverlof. Tenslotte sluiten we na serieuze prijsonderhandelingen een autoverzekering af.

We vinden uit waar we boodschappen moeten halen. De winkel die een dag eerder geen groente en fruit had heeft dat nog steeds niet. We dachten dat het kwam omdat het zondagmiddag was, maar het blijkt dat ze gestopt zijn met de verkoop omdat de koeling kapot is; ze hebben wel prima brood. Op de Taibesi-markt, de grootste markt van Dili zijn volop tafeltjes met lokale groenten en fruit. Andere supermarkten hebben weer een ander assortiment (als het niet op is) en er is een (duur) marktje met meer keuze bij de grote hotels. Op Timor Plaza, de grootste shopping mall van het land zijn voornamelijk telefoonwinkeltjes en ook een supermarkt maar zeker niet de beste.

Wanneer je loopt moet je ontzettend uitkijken voor gaten in de trottoirs, overhangende bomen en putdeksels die ontbreken. We komen langs talloze mannetjes die de hele dag bezig zijn een paar kranten, wat pakjes sigaretten en wat telefoonkaarten te verkopen. Het verkeer is redelijk vriendelijk, maar ook eigenaardig: van sommige straten is duidelijk aan het verkeer te zien dat het een richtingsverkeer is, maar nergens staan borden om dat aan te geven; je moet ook niet vertrouwen op de pijlen die op de weg geschilderd zijn. Wanneer we aan een lokale inwoner vragen hoe we dat kunnen zien zegt zij dat niet te weten maar raadt aan gewoon met de stroom mee te rijden.


Daarna gaan we naar het Verzetsmuseum met het indrukwekkende verhaal van de onafhankelijkheidsstrijd van Oost-Timor dat na het vertrek van de Portugese kolonisten 25 jaar bezet werd door Indonesië.

Al met al zijn we ruim een week in Dili om de papieren te regelen. Hoewel we minder kunnen doen dan we zouden willen heeft het ook best zijn charme om er even te “wonen” en de stad en mensen beter te leren kennen.

De hitte in (B1904)

Dit deel van de reis staat in het teken van de overgang van winter naar zomer en van de op handen zijnde regentijd met bijbehorende cyclonen. Het reistempo ligt hoger dan we gewend zijn, omdat we nog zoveel mogelijk van het noorden willen zien voor wegen onbegaanbaar worden. We beginnen ook stiekem uit te kijken naar de culturele verschillen van Azië. Australië is en blijft prachtig, maar wordt op een gegeven moment meer van hetzelfde prachtig.

Naar Perth

Onderweg naar Perth komen we langs Lake Camden. Lake Camden is een van de weinige plaatsen op de wereld waar thombolieten te zien zijn.  Ze zien er uit als stenen maar het zijn in feite heel primitieve micro-organismen die lijken op de eerste levensvormen op aarde en die overleven in omstandigheden die andere organismen niet prettig vinden. We willen een wandeling maken vanaf dezelfde plek, maar voelen ons niet prettig bij de parkeerplaats met veel gebroken glas en bordjes met Diefstalwaarschuwingen, de eerste keer in Australië. Voor de deur van een “cellar” (waar wijn verkocht wordt) vlakbij staat hij wel goed. 

Perth hebben we snel bekeken. We lopen naar Kings Park met een goed verzorgde botanische tuin en wandelen daarna wandelen nog wat in de stad. We hebben daarna een gezellige avond bij Steve en Angela. Steve hebben we ontmoet in Rwanda waar hij alleen op de motor rondreisde. Nu woont hij permanent in Perth met Angela en twee kinderen. We gaan de volgende ochtend met de familie naar het strand waar we eerst gezamenlijk ontbijten. We denken weer aan de tijd dat onze eigen kinderen klein waren als we zien hoe één kind van twee voortdurend alle volwassenen voor 100% kan bezig houden. We belanden ‘s avonds op een camping die vooral voor senioren bedoeld is met voor de clubleden activiteiten als bingo en zang. We willen natuurlijk direct blijven…

We hebben contact gelegd met de LandCruiser Club Western Australia en worden prompt uitgenodigd om mee te gaan op een tour. Het is een klasse 1 tour; dat wil zeggen in een konvooi achter elkaar aan rijden over voornamelijk asfaltwegen en verder goede gravelwegen. Het is wel gezellig tijdens de pauzes. De cultuur is duidelijk anders dan in Nederland. We krijgen van tevoren te horen dat in geval van een calamiteit alleen de leider het voor het zeggen heeft en de rest zich er niet mee moeten bemoeien tenzij er om gevraagd wordt. In Nederland zou iedereen zijn mening geven. De LandCruiser club van Western Australia is de meest actieve van het land met iedere week minstens een toer, een maandelijkse bijeenkomst en een eigen tijdschrift.

Fremantle is een voor Australische begrippen aardige stad met veel Victoriaanse gebouwen. Daar gaan we naar het Shipwreck Museum waar een deel van de romp van de Batavia, een VOC-schip dat op de klippen is gelopen aan de West-Australische kust, is opgebouwd en waar ook nog veel spullen te zien zijn die in verschillende VOC-schepen zijn gevonden.

De westkust

In Cervantes gaan we naar Mike en Lyn die we ontmoet hebben in de Stirling Range en die ons dringend gevraagd hebben te bellen als we in de buurt van Cervantes komen. Mike is jarenlang gids geweest in een beroemd natuurgebied, de Pinnacles, een verzameling van kalksteen rotspunten die door een combinatie van ijstijden, bosbranden en verplaatsing van duinen zijn ontstaan. Samen met Mike maken we ook een wildflower met veel verschillende soorten orchideeën.

Onderweg naar het Kalbarri National Park stoppen we bij een roze meer. De kleur komt van een alg die bètacaroteen produceert. We gaan de volgende ochtend eerst naar een dagelijks evenement in Kalbarri: pelikanen voederen. Er staat een serieuze groep mensen te wachten en er komen zegge en schrijve twee pelikanen opdagen. Ze zijn wel keurig op tijd. Daarna halen we gas. Door het soort tank dat we hebben gaat er weer niet meer dan ruim een kilo in, maar dat is genoeg voor twee weken koken; geen probleem, er zijn zoveel plekken waar je gas kunt kopen. Uitzichtpunten op de kliffen van Kalbarri doen denken aan de twaalf apostelen. Landinwaarts het park in zijn kloven waar de rivier zich prachtig door de uitgesleten bergen slingert. We kamperen op een parkeerplaats langs de weg in een mooie omgeving. Weer eens wat anders dan de caravan parks die er allemaal hetzelfde uitzien en waar we na een paar dagen vergeten zijn wat waar was.

Hier ligt de grootste vindplaats van stormatolieten ter wereld is vergelijkbaar met de thombolieten die we eerder zagen. Ook dit is heel primitief leven, zoals het eerste leven op aarde was, zo’n 3 miljard jaar geleden. Ze zijn heel belangrijk geweest voor de ontwikkeling van leven op aarde omdat ze fotosynthese doen waardoor zuurstof geproduceerd werd. Er zijn verschillende soorten die in lagen op elkaar leven in een soort symbiose met verschillende producten die ze opnemen en afscheiden. Ze kunnen overleven in de ongunstige omstandigheden die hier heersen met heel zout water, hoge UV-straling en getijden.

De dolfijnenshow in Monkey Mia is toeristisch maar wel grappig om te zien. Een grote groep toeristen staat klaar als ze om klokslag kwart voor acht aan komen zwemmen voor wat visjes. De volgende stop, het François Peron National Park is allemaal diep zand dus we verlagen de bandenspanning fors en rijden daarna probleemloos naar een prachtige plek op een camping aan de lagune.

De blowholes bij Quobba ontstaan doordat er gaten in de rotsen zitten waar het getij van het zeewater tegenaan slaat. Dat drukt water weg wat op andere plekken door gaten omhoog spuit als een soort fontein. Daar ontmoeten we Ali en Hendrik. Ali is een Australische die lang als backpacker door India, Europa en Zuid-Amerika gereisd heeft. Hendrik is Belg die met de auto door Afrika en ook Zuid-Amerika gereisd is. In Zuid-Amerika zijn Hendrik en Ali elkaar tegengekomen waarnaar ze samen verder getrokken zijn. We hebben al contact gehad voor we naar Australië vertrokken maar hadden ze nog nooit ontmoet. We krijgen een hoge stapels goede tips.
Onderweg naar Coral Bay rijden we de tropen weer in. Je kunt er vanaf het strand snorkelen. Het lijkt wel of we tussen een miljoen visjes zwemmen. We zien de meest bijzondere vormen koraal en allerlei soorten vissen. ‘s avonds gaan we uit eten; de seafood platter smaakt uitstekend met mosselen, oesters, grote garnalen, inktvis en nog meer.

Verder naar het noorden, in Ningaloo National Park, vinden we de beste  snorkelplekken, vlak bij het strand met veel vis. In het driftgebied van Turquoise Bay kun je aan de ene kant het water instappen en je dan door de stroming naar de andere kant laten drijven terwijl je alles onderweg bekijkt. We beginnen ook meer ervaring te krijgen met onze snorkels die daardoor niet steeds meer de aandacht nodig hebben. Als we willen wegrijden doet het verklikkerlampje voor het open dak of de open deur dat we bij de ombouw hebben aangebracht voor het eerst dienst: We zijn na het omkleden vergeten het dak naar beneden te doen. We kamperen op een cattle station, een boerderij met een camping erbij. Er is een happy hour met een kampvuur waarbij verhalen over het cattle station verteld worden en dumper, een soort op Australische manier gebakken brood, wordt uitgedeeld.  We douchen onder de houtgestookte douche. De douchekop is stijl Afrika: een emmer met gaatjes erin waarin met een slang water wordt gegoten.

De hitte in

Met het verlaten van de kust zitten opeens volop in de hitte met overdag temperaturen van 42 graden. Een maand geleden hadden we nog overdag de kachel aan. De groene weiden en gele koolzaadvelden van Victoria lijken alweer zo ver weg. Het betekent dat grotere wandelingen etc. direct na zonsopgang gedaan moeten worden: als de zon vier uur op is is het al te heet. Het wordt nu ook opeens belangrijk onze airconditioning  te laten repareren. We hadden hem tot nu tijdens de hele reis maar twee keer gebruikt (de derde keer bleek hij het niet te doen), maar nu wordt hij hard nodig.

In Karigini National Park gaan we eerst naar het Oxen uitzichtspunt. Het is absoluut geweldig. Het is het oudste gesteente op aarde waarvan de oppervlakte te zien is. De volgende dag maken we een wandeling langs de Dales-kloof. We dalen erin af en zwemmen in een waterhole. Daarna lopen we in de kloof terug met veel klimmen over niveau 4 paden.

In Port Hedland zien we borden waarop een grote opruiming wordt aangekondigd voordat het cycloonseizoen aanbreekt. Het is een havenstad van waar ijzererts verscheept wordt. De hele dag zien we road trains, vrachtwagens met vier en soms zelfs vijf aanhangers. ‘s avonds lijken het slangen die door het land kruipen.

De Kimberley

Het landschap onderweg naar Broome, bekend van de kamelen op het strand, is redelijk groen maar varieert van volkomen vlak zonder bomen of struiken tot laag struikgewas. Helaas geen kameel te zien. We hangen een dag rond, kijken wat rond in het winkelcentrum en Jan gaat naar de kapper terwijl de airco gerepareerd wordt.

De weg richting Darwin is een mooie route met veel baobabs en termietenheuvels. Overdag wordt het weer 42 graden dus we zijn blij dat de airco het nu doet. Het landschap wordt gevarieerder met rotsen die plotseling uit het vlakke land oprijzen, droge rivierbeddingen en allerlei soorten bomen die er prachtig uitzien in het late zonlicht. We zien ontelbaar veel termietenheuvels en eindigen op een parkeerplaats langs de hoofdweg die een parkcamping had kunnen zijn. We proberen ons voor te stellen hoe het landschap eruit ziet als die brede, droge rivierbeddingen kolkende watermassa’s worden en als de vlaktes met peilstokken echt onder water staan.

In Wyndham kamperen we naast een 2000 jaar oude baobab. Direct na zonsopgang gaan we naar de vogeldrinkplaats op de camping. We zien een stuk of 12 nieuwe soorten, waaronder een gouldian finch, de beroemde vogel van deze plek. Onderweg verder komen we langs de Grotto, een waterhole waar je kunt zwemmen nadat je 144 treden naar beneden bent gegaan. Omdat we geen zin hebben in 144 treden omhoog bij deze temperatuur na het zwemmen laten we dat maar zitten.

Indruk

Western Australia is een aantrekkelijk deel van Australië. Het landschap is mooi en de contacten zijn afwisselender. De “grey nomads” die verder gaan dan de pendel Queensland in de winter – South Australia in de zomer zijn avonturiers naar Australische maatstaven en de discussie gaat verder “amazing”. Het leidt tot leuke contacten bij kampvuren en 
“billie tea & dumpers” (Australisch thee met brood in de bush). Het valt ook op dat mensen er gezonder uitzien. Er is in elk geval minder overgewicht, maar er zijn nog wel veel tatoeages.

Volgende winkel over 1000 km (B1903)

Weer op weg

Na vijf maanden in Nederland gaan we verder met onze reis in Australië. De reis naar Melbourne verloopt voorspoedig. De enige onaangename verrassing is dat Dappere Dodo niet wil starten, hoewel we de accu’s hadden losgekoppeld. Ook de volgende dag start hij nauwelijks op, ondanks de 40 kilometer die we gereden hebben. Dat betekent nieuwe accu’s. Als eerste moet Dappere Dodo een onderhoudsbeurt krijgen en moet een lekkage in de versnellingsbak verholpen worden. We vertrekken naar de garage voordat de camping open gaat, maar hoewel ons gezegd is dat de slagboom automatisch opent doet hij dat niet. Nadat we met veel misbaar iemand van de receptie bereikt hebben blijken we voor de verkeerde slagboom staan: aan de rechter- in plaats van aan de linkerkant. Het linkse verkeer van Australië moet toch nog even wennen. Toen we de afspraak met de garage maakten was niet duidelijk of de hele reparatie binnen een dag mogelijk was. Helaas, de hele versnellingsbak moet uit elkaar; de totale klus wordt twee dagen Het betekent dat we een weekend lang in Melton zitten, een plaats waar diverse inwoners zelfs na lang aandringen geen enkele bezienswaardigheid weten te noemen, alleen het winkelcentrum. Het is zo’n HEMA-C&A-Etos winkelcentrum waar we snel uitgekeken zijn. Na het weekend blijkt dat ook de koppeling vervangen moet worden zijn we nog een dag onder de pannen. We worden die dag gebeld dat de geleverde koppelingsplaten verkeerd zijn. Ze vinden  gelukkig nog de goede en op een gegeven moment zijn vijf mannen met onze auto bezig; zo zien we het graag (bij een vaste prijs althans).

Nu kunnen we eindelijk kilometers maken. Het stuk tussen Melbourne en Adelaide hebben we al bekeken voor we naar Nederland terugkeerden, dus we stomen in een keer op richting Perth. We beginnen een voorraad aan te leggen voor als we straks de Nullarbor in gaan, een gebied waar we dagenlang geen fatsoenlijke winkel tegen zullen komen. We staan twee nachten in Mount Remarkable National Park met prachtige eucalyptusbomen. Een minnetje is dat er door een steentje in het brood een stuk van een kies van Jan afbreekt, maar directe actie is niet nodig.

We vullen onze boodschappen aan in Port Augusta. Het heeft een outback sfeer en doet denken aan Alice Springs: rommelig en met rondhangende Aboriginals. We eindigen in Poochera, een plaatsje met enorme graansilo’s in the middle of nowhere.

De Nullarbor

Nadat we Murphy’s Haystacks, een verzameling grillig gevormde en mooi gekleurde stukken rots die als hooibergen in het land staan hebben bekeken en onze laatste verse groente gekocht hebben gaan we de Nullarbor in. We komen het iconische bord “laatste winkel voor 1000 kilometer” tegen en zien verderop het bord “oostelijke grens van het gebied zonder bomen” waarna we inderdaad nauwelijks bomen meer zien, alleen nog een soort fijnbosch. De overstekende kamelen waarvoor gewaarschuwd wordt zien we niet. Een belangrijke bezienswaardigheden is Head of Bight waar tussen juni en oktober  vlak langs de kust walvissen te zien zijn. We zien inderdaad volop moeders met jongen. Ook landschappelijk is het prachtig met hoge duinen aan de ene kant en steile kliffen aan de andere. We wildkamperen een eindje van de grote weg af. We horen van verschillende kanten dat de quarantaineregels in Western Australia strenger zijn dan we gedacht hadden. Margriet slaat nog uitgebreid aan het koken om te zorgen dat we de ingeslagen groente toch mee kunnen nemen.

De volgende ochtend geeft de navigatie aan “over 705 km linksaf”. Op zo’n moment ben je toch blij dat je het niet met een traditionele landkaart uit moet zoeken. We rijden naar de grens met West-Australië en moeten door de quarantaineïnspectie. Onze wortels mogen we houden, maar een halve komkommer, een halve citroen en een verse krop sla zijn de klos. Als we verder gereden zijn vinden we nog een halve kool die we weg hadden willen gooien, dat valt dus weer mee. We komen langs de grootste golfbaan ter wereld: bij ieder roadhouse is een hole. We rijden ook over de langste rechte weg van Australië, bijna 150 kilometer; nu maar hopen dat het stuur het nog doet als we aan het einde zijn. De laatste ochtend in de Nullarbor begint wat rommelig omdat het lijkt alsof het gas op is. Daarom moet koffie- en theewater gemaakt worden met de biolight, een slim, klein houtkacheltje.

De uiteindelijke indruk van de Nullarbor is heel anders dan van de Outback: geen dorpjes die complete ecosystemen zijn, aangepast aan de omstandigheden met tankstations met een stoffige pomp, maar een asfaltweg met roadhouses met tankstations en bars en hotels die er precies zo uitzien als overal in de wereld.

Zuidwest Australië

In Fitzgerald River National Park zien we overal prachtige bloemen en maken een wandeling langs de baai. Er liggen veel dode vissen. De zee is fantastisch: we hebben zelden zulk blauw water gezien. Het begint steeds harder te waaien en als we terug gaan worden bijna gezandstraald. Op de camping draaien we de auto twee keer bij, om minder last van de wind te hebben. De helling van 25% direct na de camping neemt dappere Dodo uiteraard zonder enig probleem. Het weer veranderd ontzettend snel: het ene moment een bijna strak blauwe lucht en op andere momenten grijs en regen. De felgroene velden verbazen ons daarom niets. Ook rijden we voortdurend langs felgele koolzaadvelden.

De orchideeënrondrit in de Stirling Range voert langs ontelbare orchideeën en die op de meest onmogelijk plekken staan. Er zijn ongeveer 1500 verschillende soorten. Een ochtend met een gids helpt je wel anders naar bloemen en planten te kijken. ‘s avonds zitten we gezellig bij het kampvuur, voor het eerst sinds in Australië zijn. De volgende dag maken we een wandeling met twee ervaren vogelaars. Het is verbazingwekkend hoe ze kans zien om van een zwart voorbij vliegend vlekje te bepalen wat voor vogel het is.

De Tree Top Walk voert langs gigantische tingle bomen die wel 500 jaar oud en 70 meter hoog kunnen worden. Iedere keer als ze aangetast zijn komt een knoest of een nieuwe tak; bovendien holt na een brand vaak het binnenste uit zodat ze bijzonder karakteristieke vormen krijgen. De Gloucester Tree, een soort wenteltrap van pennen geslagen in een hoge boom naar een uitkijkplatform laten we maar zitten. We bereiken we de Indische Oceaan met lekker lenteweer: er zwemmen zelfs mensen in zee. Ook de volgende dag is het prachtig weer: ontbijten in de zon, shirts, hoeden en zonnebrandcrème.

Het Wardan Aboriginal centrum in Yallungup is een wat vreemd gebeuren: er is een op zich interessante tentoonstelling waar we kort worden rondgeleid door een vrouw die min of meer van de hak op de tak en in slecht verstaanbaar Engels stukken interessante historie uitleg over de noord- en zuidpool die iedere 8000 jaar van plaats wisselen, de Aboriginals die van de zuidpool komen en de allereerste mensen zouden zijn waar de Afrikanen vanaf stammen, walvissen die op het land geleefd  hebben en nog meer. Plotseling is ze verdwenen. Er staan ook extra excursiemogelijkheden: buiten met een prijs van AUD 25 per stuk, binnen voor 10. We zien er maar vanaf.